Skip to main content

Tak 4-1

1835 - 1921

Theodorus Hendrik

De vier takken
De vierde tak
Tak 1
Tak 2
Tak 3
Tak 4
Pag. 1
Pag. 2
Pag. 3
Naschrift
~ 4 .1 ~

Bron: Mr. E.J. Mac Gillavry, familieboek "Van Dunmaglass tot Djati Roenggo"

 

De jongste zoon van Hendrik Mac Gillavry en Theodora Maurisse, Theodorus Hendrik, geboren na zijn vaders dood, was waarschijnlijk de meest begaafde van de vier broers met nageslacht. In elk geval heeft hij in zijn lange leven het beste gebruik gemaakt van zijn talenten.

Al op jeugdige leeftijd werd hij voor zijn opvoeding naar Nederland gezonden. Aangezien zijn moeder door de zorgelijke omstandigheden waarin zij verkeerde weinig hiertoe kon bijdragen kwam hij in huis bij een eenvoudig gezin te Zwolle. Toentertijd woonden daar nog zijn grootmoeder Mac Gillavry en zijn oom en tante van der Vegte. Het is wat merkwaardig, dat hij daar geen onderdak kreeg en dat er ook niets bekend is van enig contact tussen hen. Hij bezocht het gymnasium en verdiende intussen de kost, als de toeslagen uit Indië uitbleven, door allerlei karweitjes op te knappen voor zijn huisbaas, die kolenhandelaar was. In 1853 werd hij leerling van de Rijkskweekschool voor militaire geneeskundigen te Utrecht. Hij werd assistent van de beroemde oogarts professor Donders en zette zijn studie aan de Universiteit van die stad voort.

William MacGillivray, geboren te Elgin op 22 oktober 1751, was van beroep "cabinetmaker", schrijnwerker zouden wij zeggen. Maar door de onttakeling van de samenleving in de Hooglanden en de steeds toenemende armoede in die streken, het dalen van maatschappelijk peil van vele bewoners, deed hem besluiten dienst te nemen bij de Schotse Brigade van generaal-majoor Dundas. Dat was op 23 maart 1781. De brigade werd in 1782 ontbonden en vele officieren en manschappen zijn toen naar hun vaderland teruggekeerd. Zo niet William. Hij was in 1782 te Venlo in garnizoen gekomen onder het bevel van kolonel Bentinck. Op 2 oktober 1787 eindigde hij zijn dienstverband.

Hij vestigde zich in de Eerste Sassenstraat 29 te Zwolle, waar hij Engelse lessen ging geven. In de burgerlijke stand liet hij zich inschrijven als William Mac Gillavry, sindsdien de spelwijze van de Nederlandse tak. Op 26 april 1795 kwam hij in het huwelijk met Elisabeth Landeveldt in de Michaelkerk te Zwolle. Uit dit huwelijk kwamen:

  • Wilhelmina Paulina (1795 - 1857)
  • Hendrik (1779 - 1835)
  • Geertuida (1800 - 1870)
  • William (1805 - 1882)
  • Jacoba Reinira (1807 - 1837)

Uit het huwelijk van Hendrik met Anna Theodora Maurisse kwamen de volgende zonen en dochters:

  • Willem Joan Julius (1820 - 1870)
  • Henri Pierre Théodore Elise (1821 - 1889)
  • Robert Jacob Wijnand (1824 - 1872)
  • Louise Annette Elisabeth Theodora (1826 - 1874)
  • Elisabeth Anna Espérance (1827 - 1847)
  • Alexander Donald (1829 - 1868)
  • Theodorus Hendrik (1835 - 1921)


Waarom wij maar uit vier takken bestaan - allen nakomelingen van Hendrik - komt door onderstaande:

  • William's afstammelingen in de mannelijke lijn zijn uitgestorven vanwege de Tweede Wereldoorlog en de beruchte Bersiap-periode in Indonesië.
  • De zoon van Hendrik en Anna Theodora Maurisse, Alexander Donald, had dienst als kapitein infanterie. Hij kwam te overlijden op 24 september 1868 aan boord van l'Impératrice op weg naar Nederland.


Hij promoveerde er op 25 Juni 1858 tot doctor in de geneeskunde op het proefschrift "De oculi accomodationis quantitate" (Onderzoekingen over de grootheid van het aanpassingsvermogen van het oog). Na nog enige tijd wiskunde te hebben gestudeerd vertrok hij eind 1858 als officier van gezondheid naar Indië, waar hij als oogheelkundige optrad. In 1863 moest hij na een zware aanval van dysenterie naar Nederland terugkeren. In 1868 werd hij afgekeurd voor de dienst in de tropen.

Deze vijf jaren besteedde hij aan een verdere studie in de wiskunde onder leiding van de beroemde fysicus Ernst Mach. Daarna werd hij achtereenvolgens leraar in de wiskunde aan de Industrieschool te Enschedé en aan de H.B.S. te Tilburg. In 1872 werd hij leraar in de Fysiologie en Histologie te Utrecht en tevens directeur van de Rijksveeartsenijschool aldaar.

Reeds in 1875, toen hij dus pas veertig jaar oud was, werd hij als lid gekozen van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Op 21 November 1877 aanvaardde hij het hoogleraarschap in de ziektekundige ontleedkunde, algemene ziektekunde en gezondheidsleer aan de Leidse Universiteit met een rede over "De wetenschappelijke betekenis van de ziektekunde."

Op 22 Juni 1884 tekende hij de overlijdensverklaring van Prins Alexander, de laatst overlevende zoon van koning Willem III, met wie hij persoonlijk bevriend was en die hem tevoren de persoonlijke titel van hoogleraar had verleend. Zie hiervoor "Op en om Oranje's troon" van J.J. Bouman. Bij Koninklijk Besluit van 8 September 1892 werd hij benoemd tot lid van de Staatscommissie ter bestudering van en eventuele afsluiting en drooglegging der Zuiderzee. Tot zover zijn curriculum vitae, waarover in zijn necrologie aanstonds meer.

Zijn gezinsleven was voor hem eigenlijk veel belangrijker. Op 2 Juli 1872 namen hij en zijn vrouw Line, die hij meestal voor de grap "Baviaan" noemde, de zes kinderen in de leeftijd van drie tot negen jaar van zijn jong overleden broer Robert en diens al voor hem gestorven vrouw, in hun gezin op. "Er is voor die arme kinderen bij ons altijd plaats genoeg" zei Line. Zij waren toen respectievelijk 37 en 27 jaar oud. Zij hadden toen twee kleine kinderen, één was al zes maanden onderweg en zes zouden er daarna nog volgen. Voor hen beiden was het één groot gezin, waarbij zij voor de pleegkinderen misschien nog iets meer aandacht hadden dan voor hun eigen spruiten.

Later kwamen in hun ruime huis aan de Garenmarkt 9 te Leiden achtereenvolgens nog de zonen Ned en Thonny van neef Henry Donald (zoon van broer Henri), Willy, een zoon van Henry's jongere broer Leo en Otto Burgemeestre, een zoon van zijn nicht Jeanne Burgemeestre-Mac Gillavry (een dochter van zijn oudste broer Willem). Zoals Djati Roenggo het middelpunt van het familieleven was in Indië, zo werd het huis aan de Garenmarkt het centrum in Nederland. Het was een groot, gezellig, ouderwets Hollands gezin, onder strenge, maar rechtvaardige leiding van de heer des huizes. Gedurende de winteravonden werden vaak gezelschapsspelletjes gedaan, waar iedereen aan mee deed. 's Zondags maakte men lange wandeltochten in de vrije natuur. iedereen, klein of groot, kreeg altijd alle aandacht die hij of zij nodig had. In het bijzonder de huismascotte, de kat Si Wangi (de welriekende). Een drama in hun beider leven, dat ze nooit helemaal hebben kunnen verwerken, was de dood van hun zevenjarig dochtertje Ellen op 20 Juli en van hun pleegkind James, vijftien jaar oud, op 23 Juli 1884, tengevolge van een diphteritis epidemie.

Op 20 Augustus 1887 vertrok Theodoor met het zeilschip met hulpmotor "Leerdam" uit Rotterdam naar Amerika voor het bijwonen van een congres te Washington. Hiervan is een kostelijk reisverhaal, geschreven in zijn eigen humoristische stijl bewaard gebleven. Duidelijk komt tot uitdrukking hoezeer hij gehecht was aan zijn vrouw, zijn kinderen en zijn pleegkinderen, "de bende" of "de bengels" zoals hij hen placht te noemen. De volgende passages zijn typerend: "Hetgeen mij ellendig zou spijten, is dat gij en de bende ongerust wordt" en "Beste Line, morgen viert ge Uw verjaardag, ik hoop dat ge die zonder ongerustheid zult vieren. Meer schrijf ik er niet over, want dan word ik beroerd. Tot later." De laatste woorden in zijn laatste brief van 16 September waren: "Ik verlang ontzettend naar huis!" Pas op 7 September, dus na 18 dagen, kwam hij in New York aan, na een reis vol moeilijkheden en tegenslagen. Een voortdurend zware storm uit het Westen was voor een klein, primitief schip uit die tijd niet zonder gevaar, bezorgde de passagiers veel schrik en ongemak en veroorzaakte aanzienlijke vertraging in de reis. Bovendien was er een storing in de machine en veroorzaakte een kleine scheepsbrand de nodige opschudding onder de opvarenden. Niettemin was hij nog net op tijd om de laatste dagen van het congres mee te maken. Tot slot van deze avontuurlijke reis tracteerde hij zichzelf op een tocht naar de Niagara watervallen, waar hij bijzonder van genoot.

Hij was een voor zijn tijd zeer onconventioneel mens, die geen blad voor de mond nam en wiens woordkeuze bij tijd en wijle niet in elke salon paste. In zijn grote gezin kon hij op de juiste momenten streng en zachtmoedig zijn. Hij was een voortreffelijk paedagoog met een warm hart. Tot op hoge leeftijd imponeerde hij kinderen, pleegkinderen en kleinkinderen met zijn grote kennis van Grieks en Maleis. Op zijn eigen wetenschappelijk terrein reikte hij tot aan de toppen van die tijd.

Bij zijn dood schreef Prof. Tendeloo in het nummer van 21 Mei 1921 van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde een "In Memoriam" met de volgende inhoud:

Geboren 3 Juli 1835 te Batavia, vroeg naar Europa gezonden voor zijn opvoeding, werd hij op 18 jarige leeftijd leerling aan de Rijkskweekschool voor militaire geneeskundigen te Utrecht, waar hij het voorrecht had, door Donders opgemerkt te worden. Mac werd assistent bij den grootmeester der physiologie en promoveerde op: "Onderzoekingen over de hoegrootheid der accomodatie".

Het pleit weer voor den scherpen kijk op menschen, dat Donders dien jongen stoeren Schot had opgemerkt. Grooter tegenstelling in de uiterlijke persoonlijkheid was toch moeilijk denkbaar. Mac was stug, eenvoudig en bekommerde zich al heel weinig om wat zijn medemenschen van hem dachten. Donders, "le roi soleil", streefde er niet alleen naar, een groot onderzoeker te wezen, maar wenschte ook als zoodanig door de leekenwereld erkend te zijn. Maar in de grond van de zaak was er wel degelijk overeenstemming tusschen beide mannen. Mac Gillavry was naar aanleg een strenge mathematicus. Alles moest logisch zijn wat men hem bood. Donders was even streng en eigenlijk even eenvoudig. Iemand die hem van zeer nabij gekend heeft verzekerde mij, dat Donders, als men de wapenrusting wegdacht die hij zich had aangelegd in een moeilijken strijd des levens, een eenvoudig, goed man bleek te zijn, met een coeur d'or. Ik hoor Beets nog zeggen: Een groot man en een goed man.

Er zij onmiddellijk aan toegevoegd dat ook van Mac nobele daden te boek staan. Het samenwerken van die twee duurde niet lang; de dienst eischte den jongen doctor in de genees- en heelkunde op. Als officier van gezondheid heeft hij in Indië speciaal de oogheelkunde beoefend. Ongestraft heeft hij niet onder de palmen gewandeld. Een hevige dysenterie bracht hem op de rand van het graf. In 1863 naar Nederland teruggekeerd, werd hij in 1868 als ongeschikt voor de tropen afgekeurd. In dien tijd valt, voor zoover op het oogenblik is na te gaan, de studietijd, doorgebracht onder leiding van den beroemden physikus, mechanikus en physioloog Ernst Mach, die in 1864 hoogleeraar in wiskunde te Graz, in 1867 te Praag als physicus werkzaam was. In 1858 was Mach nog niet eens privaat docent. Mac Gillavry was iemand die zich heel weinig uitte, vooral waar het personen gold. 

Theodorus Hendrik Mac Gillavry


* 3. Juni 1835 in Jakarta (Indonesien); † 14. Mai 1921 in Den Haag war ein niederländischer Mediziner.

Theodorus Hendrik war der Sohn des Kolonialbeamten in Indonesien Hendrik Mac Gillavry (* 3. Dezember 1797 in Zwolle; † 15. Februar 1835 in Surakarta (Indonesien)) und dessen Frau Anna Theodora Maurisse (* 30. August 1799 in Leiden; † 24. August 1849 in Surakarta).

Nach einiger Zeit in Indonesien hatte er seine schulischen Unterweisungen in Zwolle absolviert. 1853 wurde er Schüler der Reichszöglingsschule für Mediziner des Militärs in Utrecht und immatrikulierte sich am 7. Juni 1856 als Student an der Universität Utrecht. Hier wurde er Assistent von Franciscus Cornelis Donders, promovierte am 25. Juni 1858 zum Doktor der Medizin mit dem Thema De oculi accomodationis qualitate und erwarb am 4. November desselben Jahres den Doktor in Heilkunde. Danach war er als Militärarzt in Niederländisch-Indien tätig, kehrte 1863 wegen einer Ruhrerkrankung in die Niederlande zurück und wurde im Januar 1865 aus dem Kolonialdienst aus gesundheitlichen Gründen entlassen.Im Oktober 1865 wurde er Lehrer für Mathematik an der Industrie- und Handelsschule in Enschede und ab August 1869 an der Reichshöheren Bürgerschule (H. B. S.) in Tilburg. Am 1. April 1872 wurde er Lehrer für Physiologie und Histologie, sowie Direktor der Reichs-Veterinärschule in Utrecht. Hier erhielt er 1875 einen Professorentitel und versah das Amt bis 1877. Denn er wurde am 19. September 1877 zum Professor für Pathologie, pathologische Chirurgie und medizinische Politik an die Universität Leiden berufen, welches Amt er am 21. November 1877 mit der Rede De wetenschappelijke beoefening der Ziektekunde übernahm. In Leiden wurde er 1885 Stifter des anatomisch-, pathologisch- und bakteriologischen Boorhave-Labors und beteiligte sich 1897/98 als Rektor der Alma Mater auch an den organisatorischen Aufgaben der Hochschule. Für die letztgenannte Aufgabe hielt er am 8. Februar 1898 die Rektoratsrede "de Continuiteit van het doode en het levende".

Aus Altersgründen wurde er am 15. März 1905 emeritiert und verabschiedete sich am 3. Juni des Jahres in den Ruhestand. Danach verlebte er seinen Lebensabend in Den Haag, wo er schließlich verstarb. Mac Gillavry wirkte in mehreren Institutionen und Gesellschaften seiner Zeit. So war er am 4. Mai 1875 Mitglied der königlich niederländischen Akademie der Wissenschaften, Mitglied der Gesellschaft zur Förderung der Veterinärmedizin in Utrecht, 1881 Mitglied der holländischen Gesellschaft der Wissenschaften in Haarlem und 1885 konsultierendes Mitglied der Batavischen Gesellschaft der experimentellen Philosophie in Rotterdam geworden. Zudem ernannte man ihn 1898 zum Ritter des Nordstern-Ordens von Schweden und 1906 zum Ritter des Ordens vom Niederländischen Löwen.

Bron: de.wikipedia.org/wiki/Theodorus_Hendrik_Mac_Gillavry

Maar uit de manier waarop hij den naam van zijn "Namensvetter" op het college noemde, en uit zijn werkwijze schijnt de conclusie wel gerechtvaardigd, dat het eigenlijk Mach was, die op Mac den stempel van zijn geest heeft gedrukt. In Nederland teruggekeerd, gaat onze vriend zich niet aan de zooveel lucratievere geneeskundige praktijk wijden, maar wordt leraar in de wiskunde. Dat is zeer kenmerkend, waar voor een groot gezin te zorgen viel. Mac zei op zijn colleges:

"De klinicus moet uit drie vergelijkingen met twintig onbekenden probeeren te halen, wat er met mogelijkheid uit te halen is." Dat was niets voor hem. Hij hield van realia, van positieve uitkomsten. In 1872 vond hij eindelijk zijn bestemming: leeraar in de weefselleer en physiologie, tevens directeur der Rijksveeartsenijschool. The right man in the right place! De korte periode van zijn werkzaamheid, 1872 - 1877 mag gerust als het tijdvak van Mac Gillavry in de geschiedenis van deze inrichting te boek staan. Hij heeft georganiseerd, gedoceerd, onderzoekingen gedaan en gebouwd: het woongebouw en de stallen dateeren van zijn directoraat. Zijn rechterhand was Wirtz. Men kan zich moeilijk ingevoegd dat ook van Mac nobele daden te boek denken in wat hij toen tot stand gebracht heeft, staan. Het samenwerken van die twee duurde niet in de moeilijkheden die hij moest overwinnen. Er behoorde wat toe om de toenmalige Regeering te overtuigen dat de wetenschappelijke opleiding van veeartsen voor ons landbouwend volk een zaak van groot belang is. Er bestond nog geen Departement van Landbouw. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, voordat de bureaucraten van den ouden stempel hadden begrepen, dat laboratoria nodig zijn. Als men leest of uit den mond der ouderen hoort welke moeite de beroemdste hoogleraren aan de grootste buitenlandsche universiteiten gehad hadden om een behoorüjke gelegenheid tot werken te krijgen: een Claude Bernard, een Hyrtl, dan verbaast men zich over het vele, dat Mac in vijf jaren tot stand gebracht heeft. De staatsmolen moge langzaam malen, als hij maalt, dan maalt hij goed. Mac moest bij al zijn werkzaamheden nog als kostschoolhouder fungeren. Dat werd hem op den duur te kras. 21 November 1877 aanvaardde hij het professoraat in de algemene pathologie, pathologische anatomie en hygiëne te Leiden. Acht jaren heeft hij moeten wachten op een laboratorium. Hij had het geluk een uitstekende assistent te vinden in Siegenbeek van Heukelom, wie hij in 1888 de pathologische anatomie en bacteriologie kon overdragen. In die jaren heeft schrijver dezes het voorrecht gehad van zijn onderwijs te genieten. Dat onderwijs was voortreffelijk. Zonder eenigen omhaal ging het recht op de man af. Wat er positiefs te zeggen viel, dat zei hij. Langzaam sprekend, (hij kende zijn leerstof uit het hoofd), in zoverre Donders nabootsende, verzweeg hij veel wat hij wist. maar wat hij overbodig achtte voor zijn toehoorders. Op hun belang had hij het oog. Hij wist heel goed, dat de overgroote meerderheid bestemd was practische geneesheeren te worden. Het liefst zou hij hen eenvoudige wiskunde of mechanika of physiologische physika hebben gedoceerd. Nu gaf hij pathologische physiologie, liever dan morphologie. Was pas op dreef, wanneer hij de processen mechanisch verklaren kon: de gevolgen van klepgebreken op den bloedsomloop, thrombose en embolie, haemorrhagisch infarct. Liet nooit na op de waarde van de vergelijkende ziektekunde te wijzen, sprak met groote waardeering over den tijd, dien hij aan onze school had door gebracht, boezemde eerbied in voor de veeartsenijkunde. Mac Gillavry had oorspronkelijke denkbeelden, een helder hoofd als weinigen, een nuchter, eerlijk oordeel. Hij bouwde zijn gedachten helder en logisch op in juiste bewoordingen en eenvoudig goed gevormde zinnen."

De vier takken
Theodorus Hendrik
De vierde tak
Tak 1
Tak 2
Tak 3
Tak 4
Pag. 1
Pag. 2
Pag. 3
Naschrift